1. Noodzaak & Droom

Door G. Voet

Nog in het midden van de 19e eeuw was de plek waar nu Vogeldorp ligt een waterplas, de Nieuwedammerham genaamd. Een soort ruime bocht van het IJ, ten oosten van de landtong Volewijk.

Door de eeuwen heen kampte Amsterdam met het dichtslibben van de vaargeul in het IJ en van de havens. Oorzaak hiervan is het nog aanwezig zijn van eb en vloed. Want tot 1872, het jaar dat de Oranje Sluizen in gebruik worden genomen, stond het IJ nog in open verbinding met de Zuiderzee.
In de loop van de 19e eeuw nam het scheepsverkeer toe en de vaartuigen werden groter. Het probleem van het dichtslibben werd steeds ernstiger. De stad had continu behoefte aan geschikte baggerstortplaatsen.

Bodem

Toen rond 1868 de Buiksloterham en de Buitenvolewijkslanden reeds waren volgestort, bleef als laatste mogelijkheid de Nieuwedammerham over. Maar dit water werd gebruikt door de Amsterdamse Kanaal Maatschappij (A.K.M.). De gemeente verdacht de A.K.M. van oneigenlijk bezit van de ham en eiste het gebied op, omwille van het algemeen belang. Na veel gekissebis en een door het Rijk georganiseerde ruil, mocht Amsterdam er voortaan kosteloos bagger dumpen. In 1870 was de waterplas veranderd in een polder. De stad Amsterdam aarzelde geen moment toen zij de mogelijkheid had om het nu ingepolderde land te kopen en was weer een grondgebied rijker. Immers, daar lag een prachtig nieuw stuk industriegebied en zonder het toen te weten... de toekomstige grond onder Vogeldorp.

In 1996 heeft de actiegroep voor het behoud van Vogeldorp in de Derde Vogelstraat nr. 14, een grondboring tot op 7 meter diepte uitgevoerd om de bodemkwaliteit te testen. De onderliggende bodemlagen bestaan voornamelijk uit diverse soorten klei, afgewisseld met dunne laagjes veen en op 4,40 meter diepte een 15 cm dikke zandlaag. Het bovenste gedeelte bevat een zandpakket van een halve meter. Dit leek een voldoende waarborg voor de huizen van lichte constructie, uitgevoerd op betonplaten.

Armoede en overbevolking

Halverwege de 19e eeuw nam de bevolking in Amsterdam met ongekende sprongen toe. Tussen 1870 en 1900 verdubbelde het aantal inwoners van circa 265.000 naar 510.000 . De grote trek naar de stad was het gevolg van de landbouwcrisis en de industriële revolutie. De werkloosheid op het platteland was enorm. De stad Amsterdam kon al deze nieuwkomers onmogelijk een fatsoenlijk onderdak aanbieden. Amsterdam was in die tijd veel kleiner dan nu. Ter hoogte van de Nassau- Stadhouders- en Mauritskade hield het wel op. Woningbouw was een puur particuliere aangelegenheid. En wetgeving op dit gebied was er nog niet.

Door de enorme woningschaarste waren de huurprijzen voor veel mensen onbetaalbaar. Velen zochten hun toevlucht tot vaak vochtige kelders of kamertjes in krotwoningen. Doorgaans verstoken van daglicht, toilet, stromend water en verwarming. Arbeiders (inclusief vrouw en kinderen) hadden bovendien een zeer karig loontje. Het eten was eenzijdig en men leefde dus ongezond in elk opzicht. De gemiddelde leeftijd van een arbeider was 35 jaar. Dat velen het verdriet probeerden te verlichten door de alcohol is niet zo verwonderlijk.

In die overvolle stad braken er regelmatig epidemieën van cholera uit. Hoewel de arme bevolking hier voornamelijke de dupe van was, trof dit natuurlijk ook de gegoede burgerij. De stad was klein; rijk en arm woonden pal naast elkaar. Geen wonder dat ook deze laatsten verontrust raakten over de onhygiënische toestanden. Door toedoen van o.a. dr. Samuel Sarphati werd er een reiniging- en afvaldienst opgericht (1848) en een begin gemaakt met het duinwaterleidingnet (1853). Ook richtten particulieren in 1852 en 1853 reeds de eerste woningbouwverenigingen op ter verbetering van de woonomstandigheden van arbeiders. Een druppel op een gloeiende plaat nog. Maar nu kwam toch ook de gemeente langzaamaan tot het inzicht dat ook zij voor dit probleem verantwoordelijk was. Bij de oprichting van de Vereeniging tot het bouwen van Arbeiderswoningen, in 1875, bood de gemeente hulp in de vorm van kosteloze architecten, het aanbieden van terreinen, de aanleg van straten en een som geld. De feitelijke woningbouw en het beheer bleef een particuliere zaak.

Socialistisch elan

Grote inspirators zoals Troelstra en Domela Nieuwenhuis maakten de arbeiders bewust van hun eigenwaarde en van hun betekenis voor de maatschappij. Mede door hun toedoen ontstonden er veel (vak)verenigingen, gericht op de ontplooiing van de arbeider. Deze ontwikkeling leidde ook tot het ontstaan van de eerste woningbouwverenigingen, volgens het bekende Nederlandse zuilensysteem. Toch was de huur die deze woningbouwverenigingen vroegen vaak te hoog voor de mensen met onregelmatig werk.
Gelukkig werd in 1902 de woningwet aangenomen. Een grote stap voorwaarts in de verbetering van de volkshuisvesting. Vanaf dat moment konden gemeenten de woningbouw zelf ter hand nemen. De stad mocht ingrijpen wanneer de particuliere woningbouwers te weinig of slecht bouwden, of te hoge huurprijzen vroegen. In de vorm van goedkope leningen bood de overheid steun aan woningbouwverenigingen. Een belangrijk bijkomend voordeel voor de gemeente was de mogelijkheid om met een exploitatietekort te mogen verhuren. Het rijk en de gemeente namen hiervan elk de helft voor hun rekening. Vanaf nu konden ook de minder bedeelden een deugdelijke woning huren.

De Tuinstadgedachte en de uitvoering daarvan

In 1914 wordt Floor Wibaut, een zakenman en overtuigd socialist, benoemd tot de eerste wethouder van Volkshuisvesting in Amsterdam. Samen met de directeur van de pas opgerichte Stedelijke Woningdienst, ir. A. Keppler en burgemeester J.W.C. Tellegen (1915), voormalig hoofd van Bouw- en woningtoezicht, was dit een zeer strijdvaardig driemanschap. Ze zijn gelijkgestemd in hun geloof in de sociaal-democratie. Gesteund door een groot aantal socialistische raadsleden stonden ze sterk genoeg om hun idealen op het gebied van sociale volkshuisvesting te verwezenlijken. Alledrie waren ze bovendien geïnspireerd door de uit Engeland overgewaaide tuinstadgedachte. Een nieuwe visie op stadsontwikkeling die in 1898 door Ebenezer Howard uiteen was gezet in zijn boek "Tomorrow, a peaceful path to real reform". Deze beweging kreeg in verschillende Europese landen bijval.
Kortweg komt de tuinstadgedachte er op neer dat in een landelijke omgeving, niet ver van de bestaande, oude steden, kleinere autonome steden moesten verrijzen. Daar zou de mens van zowel natuur als cultuur kunnen genieten. Zo zou men profiteren van de voordelen van de stad én die van het platteland. Daarbij was de grondprijs laag, waardoor een goede woning ook binnen het bereik van de arbeider zou komen. De vaak uit laagbouw bestaande wijkjes, die op zichzelf een eenheid vormden, zouden in een parkachtig landschap worden gebouwd. Door gemeenschapsvoorzieningen in de directe omgeving zouden vriendschappen en verenigingsleven tot bloei kunnen worden gebracht. En het contact met de natuur zou het gevoel van eigenwaarde doen toenemen. Uiteindelijk zou het een nieuwe maatschappij brengen, waarin een ieder zich ten volle kon ontplooien.
Keppler, van de Amsterdamse Woningdienst, was een groot pleitbezorger van het idee om eengezinswoningen met veel ruimte en groen te realiseren voor de arbeider. En hij merkte op 'dat een stapelplaats van menschen op een andere wijze dient te worden geconstrueerd dan die van vaten of zakken'.

In 1915 blijkt het woningtekort nog steeds meer dan nijpend. De door de woningbouw-verenigingen geplande uitbreiding verloopt stroef. En particulieren verliezen hun interesse vanwege de strakke bouwverordeningen. Omdat de gemeente volgens de woningwet nu zelf bouwplannen mag ontwikkelen, neemt het bevlogen ‘socialistische trio’ hun kans waar. In 1915 stemt een grote meerderheid van de gemeenteraad in met het voorstel van Wibaut om, verspreid over de stad, 3500 arbeiderswoningen te bouwen. Het worden gemeentewoningen waarvan de huur onder de kostprijs mag worden berekend, bestemd voor de allerarmsten.
Omdat de uitvoering van dit ambitieuze plan enige jaren zou duren en de woningnood steeds groter werd, mede onder invloed van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), leek het Wibaut praktisch om 650 noodwoningen neer te zetten voor de duur van 10 jaar. Dit plan stuitte op hevige kritiek, juist van zijn eigen partijgenoten. Het deed immers afbreuk aan het beoogde ideaal om woningen van hoge kwaliteit te bouwen.

Om het tijdelijke karakter van de nooddorpen te waarborgen, werden ze gesitueerd in geïsoleerde ofwel voor industrie bestemde gebieden. Ze zouden in de toekomst plaats moeten maken voor het originele bestemmingsplan. Aan de overkant van het IJ lag nog braakliggende grond in overvloed. Voor Keppler en Wibaut was dit sowieso de aangewezen plek waarop zij hun ideaal van laagbouw zouden kunnen realiseren. De lage grondprijs vormde een sterke troef om de bezwaren van veel tegenstanders ten aanzien van de hoge kosten te ontkrachten. Het is aan A. Keppler te danken dat de gemeentebouw in oud-Noord nooit hoger is dan twee woonlagen plus zolderkap. Zelfs vaak slechts één laag plus zolder.

Vogel- en Disteldorp: de eerste tuindorpjes uit nood geboren

Middels een noodwetverordening werden in 1918 de wijken Vogeldorp en Disteldorp gebouwd. Oorspronkelijk voor de duur van 10 jaar. Als architect wordt B.T. Boeyinga genoemd, een tweede-generatie architect van de Amsterdamse School. Hij was de verantwoordelijke architect van Tuindorp Oostzaan. Omdat de huizen daar veel gelijkenis vertonen met Vogel- en Disteldorp wordt aangenomen dat hij ook hiervan de schepper is. Mogelijk is het feit ‘nooddorp’ de oorzaak van het ontbreken van zijn naam.

In 1920 sprak Ir. Keppler de trotse woorden: 'Wat niemand ooit heeft kunnen verwachten is verwezenlijkt. Het een-gezin arbeidershuis uit steen heeft zijn intrede in de hoofdstad gedaan.'




2. Dagelijks leven & Behoud

In minder dan een half jaar waren zowel Disteldorp als Vogeldorp voltooid. In de loop van 1918 konden de eerste bewoners er hun intrek nemen.

Aanvankelijk telde Vogeldorp 313 woningen en diverse gemeenschapsvoorzieningen zoals een badhuis, een brandweer- en politiepost, een administratiegebouw, een clubhuis van "Ons Huis", vier 'dagwinkels' en een centrale winkel. In 1922 werden er in de 6e Vogelstraat nog twee huisjes onder-een-kap bijgebouwd, alsook twee kinderdagverblijven en zes karrenbergplaatsen.

De twee nooddorpen vertonen duidelijk de inspiratie van de bevlogen ideeën zoals die waren vervat in de tuinstadgedachte van Ebenezer Howard, die door de toenmalige directeur van de Stedelijke Woningdienst Ir. Arie Keppler en Wethouder Wibaut zo omarmd werden.
De volledig uit laagbouw bestaande wooncomplexen ademen een landelijke sfeer door de ruime bebouwing, de houten bebording van de gevels en de karakteristieke poortwoningen. De aandacht voor groen en ruimte vertaald zich in voor- en achtertuintjes bij elk huis en een centraal gelegen plein en plantsoen. De eenheid in bouwstijl en stratenpatroon accentueren nog eens de dorpse intimiteit.

De inrichting van de woningen bestond uit ingebouwde bedsteden en kasten met legplanken, een keuken met een aanrecht, voorzien van stromend water, en een toilet met waterspoeling.
Douches waren in die tijd een onbekend fenomeen. Baden deed men in een teil of in het Gemeente Badhuis. Daar ging het er vrolijk aan toe. Het badhuis was een echte ontmoetingsplaats waar de laatste nieuwtjes werden uitgewisseld. Op initiatief van hun school bezochten groepen kinderen eenmaal per week het badhuis. En die verplichting werd niet als een straf ervaren.

Museumwoning Amsterdam Noord

Sinds enkele jaren is er in Amsterdam Noord een huis ingericht als Museumwoning. Dit huis stamt uit 1922 en is ontworpen door dezelfde architecten als die van Vogeldorp en Disteldorp. Wie over de drempel van de Meteorenstraat 174 in Tuindorp Oostzaan stapt, gaat een kleine eeuw terug in de tijd. Iedere tweede zondag van de maand, tussen 11.00 en 17.00 uur, is de museumwoning geopend voor publiek.

Niet voor elke nieuwkomer was het rustieke 'tuinstadje' Vogeldorp het paradijs op aarde. Men was er, en dat gold met name voor de beginjaren, vaak door de (woning)nood gedwongen terecht gekomen. Doorgaans hadden de eerste bewoners ook niet de middelen om een duurdere woning te huren van bijvoorbeeld woningbouwverenigingen.
Uit interviews die in het kader van het wetenschappelijk onderzoek in 1991 zijn gehouden, blijkt dat heel wat nieuwkomers Vogeldorp een 'vreselijke uithoek' vonden, 'een rimboe', waar ze, als de gelegenheid zich voordeed, zo snel mogelijk weer uit wilden vertrekken. Ook al zou dat in sommige gevallen de terugkeer naar opnieuw een krotwoning zijn; het warme nest met familie en vrienden in de oude buurt verkoos men boven de gerieflijkheid en de ruimte in Vogeldorp.

Zo was het verloop in de eerste jaren dan ook tamelijk groot en was er nog geen sprake van een echt buurtgevoel. Het bevorderen van dat buurtgevoel was en is een onderdeel van het gemeentelijk woningbeleid. Het was destijds gemeentebeleid om zoveel mogelijk mensen met dezelfde levensgewoonten bij elkaar te plaatsen. Dat zou de leefbaarheid ten goede komen. Dit idee staat haaks op de latere visie dat segregatie tot probleembuurten zou leiden. Tegenwoordig neigt men weer naar het beleid van weleer.

Vogeldorp werd bevolkt door arbeiders. Men ging ervan uit dat de meer welgestelden er niet zouden kunnen aarden. Af en toe werden er wel ambtenaren tijdelijk gehuisvest. Dat waren in de ogen van de vaste bewoners rijkelui. De ambtenaren betaalden de normale huur van 6 gulden per week. Aangezien de Stedelijke Woningdienst huizen onder de kostprijs mocht verhuren, was het huurbedrag voor de meeste bewoners gemiddeld 3 gulden en 22 cent per week.

De Opzichteres

De toen ontstane opvatting dat een mooie woonomgeving automatisch tot een betere levenswijze zou leiden, bleek in de praktijk niet altijd op te gaan. Vandaar dat men er toe overging om in de gemeentecomplexen opzichteressen aan te stellen. Voor dit 'opvoedkundig element' achtte men het vrouwelijk geslacht het meest daartoe geschikt, die daarvoor een driejarige opleiding had genoten. Haar taak bestond uit het met raad en daad bijstaan van de mensen. Om in contact met de bewoners te komen inde zij de wekelijks de huur, waardoor ze ondertussen huis en gezin aan een inspectie onderwierp.
Misstanden zoals huiselijk geweld, alcohol misbruik, gebrek aan hygiëne bij de huisvrouw, onregelmatig schoolbezoek of het ontbreken van legplanken, die wel eens in de kachel belandden, werden aan de gezondheidscommissie gerapporteerd.
De bevoogding van de opzichteres had soms zeer ingrijpende gevolgen, zoals blijkt uit verslagen van het archief van de Stedelijke Woningdienst. Een alleenstaande vrouw moest, nadat haar kinderen het huis uit waren, de woning verlaten omdat die voor haar alleen te groot zou zijn. En een man, wiens vrouw en kinderen in verschillende inrichtingen geplaatst waren, moest vanwege onvoldoende meubilering vertrekken. Hetzelfde overkwam een vrouw waarvan men vond dat ze een debiele psychopate en geestelijk abnormaal was.

De bewoners beschouwden de opzichteres over het algemeen als een 'pottenkijkster' die zich teveel met privé-zaken bemoeide. Ook de heer Henk Eskes, een oudere Vogeldorper, kan hierover meepraten. "Tijdens de crisistijd in de dertiger jaren waren er op het dorp heel wat mensen werkloos. Via een steunfonds kon men kleding en linnengoed betrekken. Bij de mensen die hiervan gebruik maakten, kwam de opzichteres inspecteren. IJskoud trok ze dan de kastdeur open om te zien of je de spullen niet verkocht had."
Het dragen van steunkleren was bepaald geen pretje. Omdat de kleding identiek was en dus herkenbaar werd je erom uitgejouwd. Daarom vormde het dorp voor de mensen een veilige haven, waar men elkaars sores kende en solidariteit een sleutelwoord was. De mensen uit de Vogelbuurt en van de Meeuwenlaan stonden wat hoger op de maatschappelijke ladder en keken over het algemeen neer op 'dat wijkje aan de overkant'. Vandaar dat de bewoners zich geneerden voor hun woonadres. Zo ook een meisje uit het dorp die zelfs haar vriendje uit schaamte niet durfde te vertellen waar ze woonde.

Vermaak en saamhorigheid

In de 'enclave' Vogeldorp hielp men elkaar met de weinige middelen die men bezat. Vogeldorper Henk Eskes vertelt dat men bij ziekte en geboorte geld inzamelde om de families te voorzien van hartversterkende middelen, zoals een flinke paardenbiefstuk, eieren en boter.
Was er een sterfgeval in het dorp dan hingen veel bewoners witte lakens voor het raam. Men nam afscheid van de overledene door gezamenlijk met de lijkkist rond het dorp te lopen. Toen de geboren en getogen Vogeldorper Karel Kappel in 2003 overleed, betoonden vrienden hem dezelfde eer. Ditmaal met de kist in een auto.
Het was trouwens ook deze Karel ('Kareltje') die wist te verhalen over de jaarlijkse "Dikke Bandenwedstrijd", een wielerwedstrijd rond het dorp. Misschien daardoor zijn grote liefde voor de wielersport. Menig fiets heeft 'Kareltje' voor buurtbewoners gerepareerd. En er was een andere, inventieve buurtbewoner die voor muzikaal genot zorgde. Hij was een van de weinige mensen die beschikte over een platenspeler. Vanuit zijn huis had hij een draadverbinding naar de woningen van diverse muziekliefhebbers doorgetrokken, waardoor men tegen een kleine onkostenvergoeding van zijn platen kon genieten. Henk Eskes denkt hier met plezier aan terug: "Het gaf zoveel warmte en vrolijkheid in die armoedige tijd."

Voor de jeugd was de omgeving van Vogeldorp een heerlijke speelplaats. Aan het Vliegenbos en aan het Johan van Hasseltkanaal hebben oudere bewoners mooie herinneringen. Men zwom in het kanaal gewoon tussen het kolengruis door en niemand die zich daar zorgen over maakte. Dat kolengruis was afkomstig van schepen die gelost werden op het, aan de 6e Vogelstraat gelegen terrein van de Steenkolen Handels Vereniging (S.H.V.).
Het Vliegenbos was een plek van avontuur. En voor de kleintjes was er vermaak in het gebouwtje van "Ons Huis" aan de 6e Vogelstraat. Daar konden ze knutselen en er werd veel voorgelezen. Door de economische malaise hield de subsidie in 1934 op en daarmee ook de activiteiten. Om in de barrre oorlogsjaren aan brandhout te komen is het gebouw in die tijd geheel gesloopt. In de vijftiger jaren hebben een aantal bewoners met eigen middelen en subsidie van Ketjen met vereende krachten een nieuw buurthuisje neergezet en een speeltuin aangelegd.

Het IJ-bosch, ofwel het bos van W.H. Vliegen

Het socialistisch raadslid W.H. Vliegen heeft als een terriër voor dit bos gepleit. Bedoeld om de recreatiemogelijkheden voor mensen uit de binnenstad te vergroten. Zijn eerste voorstel in de raad dateert van 1907 en dankzij zijn halstarrige inzet gedurende jaren is het in 1915 dan toch daar! Het is het eerste stadsbos van Nederland met een oppervlakte van 35 hectare. Daarnaast is er 4,5 hectare sportterreinen. "Een echt bosch, met het aanzien van een stuk vrije natuur", aldus Vliegen.
Na diens dood, in 1950, werd besloten het bos naar hem te vernoemen. Hoewel het in de volksmond al niet anders bekend stond als het Vliegenbos.

De Tweede Wereldoorlog

Naast armoede en gebrek zorgde de Tweede Wereldoorlog ook voor spanning en avontuur. De kolenoverslag van de S.H.V. was in handen van de Duitsers en werd door hen bewaakt. Kolen waren natuurlijk begerenswaardige handelswaar. Behalve warmte voor jezelf was het een van de beste ruilartikelen. Met allerlei trucs wisten een stel dorpelingen het zich wel toe te eigenen.
Vogeldorper Leen de Preijker, elf jaar toen de oorlog uitbrak, herinnert zich levendig hoe de meisjes wat gingen staan flirten met de bewakers, terwijl de jongens dan over de hekken klauterden en er met volle zakken vandaan kwamen. Meneer Eskes had een roeiboot, die in het Johan van Hasseltkanaal lag, 'georganiseerd'. Een andere vriend zorgde voor de ontbrekende roeispanen en samen voeren zij tot aan de overslagplaats om daar met sleepnetten de overboord gevallen kolen naar de kade toe te schuiven en ze vandaar op te vissen.
In het barre winterjaar 1944, toen de Duitse bezetters geen enkele toevoer van brandstof en levensmiddelen meer toestonden, hebben bewoners alles wat brandbaar was opgestookt. Tot en met de voordeur aan toe. Na de oorlog waren de huizen dan ook in een zeer deplorabele staat. Daarom begon men al in 1950, vier jaar eerder dan de oorspronkelijke planning, aan een grondige renovatie. Uitstel zou het definitieve einde van Vogeldorp betekenen. Van afbreken wilde men niet weten, want de woningnood was nog steeds enorm groot.

Nooddorp met beperkte levensduur?

Al vanaf de oplevering sprak de Stedelijke Woningdienst van semi-permanente woningen, uitgaande van een exploitatietermijn van 35 jaar. Alleen vanwege het feit dat het complex onder de noodwoningenwet tot stand was gekomen, maakte dat er in officiële stukken gesproken werd van een levensduur van 10 jaar.
In 1934 knapte men voor de eerste keer het dorp grondig op, voor een termijn van 20 jaar. In 1946 schreef de heer Flipse, opvolger van A. Keppler over deze renovatie het volgende: "Een ernstig onderzoek wees uit, dat, door nog aanwezige onderdelen van lichte constructie te vervangen door zulke van meer permanente aard met eenige algemeen herstellingen, zonder vrees voor moeilijkheden, zoowel uit een oogpunt van exploitatie als constructie, de levensduur kon worden verlengd tot 1954. Door deze verbeteringen hebben deze woningen het karakter van semie-permanent vrijwel geheel verloren."
De tweede renovatie is door de deplorabele staat als gevolg van de oorlog al in 1950 ter hand genomen. In 1965, bij de derde renovatie werd er een ander huisvestingsbeleid in gang gezet. Vanaf dat moment zouden er geen jonge gezinnen meer mogen wonen. Een geringere bewoningsintensiteit zou de staat van de huizen ten goede komen. Vandaar dat er op zeker moment sprake was van een "bejaarden- en gehandicapten dorp". Tijdens de renovatie in 1965 zijn ook de oorspronkelijke roede raampjes vervangen en de erkers op de daken vergroot. Daarnaast zijn er voor diegenen die dat wilden douches ingebouwd.
Rond de vierde renovatie, in 1985, gingen er stemmen op dat deze huizen niet meer van deze tijd waren en dat er een tekort op de exploitatie zou ontstaan. Niettemin was er een grote behoefte aan dit soort woningen, en in vergelijking met andere woningen viel de bouwtechnische staat alles mee. De woonduur werd echter niet meer gegarandeerd. Veel jonge mensen nemen in die periode hun intrek.

Het Johan van Hasseltkanaal

Ter verbetering van de infrastructuur voor de aan water gebonden industrie, begon men in 1908 met het graven van het zogenoemde 'Hoofdkanaal', dwars door Amsterdam Noord, met hierop haaks een aantal korte kanalen. De reeds gegraven oostzijde noemde men het Johan van Hasselkanaal-Oost en de eveneens uitgevoerde westkant (bij Disteldorp) het Johan van Hasseltkanaal-West.
De opbrengsten van de uitgifte van de terreinen zou de exploitatie hiervan sluitend moeten maken. Mede door de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stagneerde de economie. Later onstond het idee van de IJ-tunnel waardoor het plan onuitvoerbaar werd. Na de neergang van de scheepsbouw in de jaren tachtig, zoals de A.D.M. en de N.D.S.M. waren beide kanalen economisch niet meer van belang. Met behulp van subsidie van de toenmalige EEG, ten gunste van een revitalisering van oude industrieterreinen werden de beide kanalen gedempt, teneinde er nieuwe bedrijvigheid de doen laten ontstaan. In 1989 begon men aan het gedeelte tot aan de 4e Vogelstraat. En in 1997 aan het laatste gedeelte.


Strijd om het behoud; de Vrije Vogels

In 1993 vraagt het Woningbedrijf Amsterdam (WBA) aan twee vers gearriveeerde nieuwkomers Ida de Groot en Inge de Koning of zij een bewonersorganisatie zouden willen opzetten. Beiden stemmen hiermee in en organiseren een bijeenkomst. Maar, lucht gekregen van de sloopplannen van het WBA voor Vogel- en Disteldorp en een deel van Tuindorp-Oostzaan, ontstond er in plaats van een bewonerscommité een actiegroep: "De Vrije Vogels".

Het feest ter ere van het 75-jarig bestaan van Vogeldorp in 1993, komt in het teken te staan van het behoud van beide dorpen. Twee dagen lang bruist Vogeldorp van activiteit. Er wordt een reünie voor oud-bewoners georganiseerd met een diavoorstelling over vroeger en nu. Er is theater, muziek, poëzie en een groot forum, waarbij politici, een specialist op tuindorpengebied (de architect Frank Smit), bewoners en de verhuurder met elkaar in discussie gaan. De toon was gezet. Vanaf dat moment stonden Vogeldorp en de andere tuindorpen in de publiciteit.
Het kloppend hart van deze acties, die jarenlang aanhielden, lag in Vogeldorp. Zo werd het gebouw van het WBA met zeildoeken ontoegankelijk gemaakt voor het personeel. De vele strijdkreten lieten geen misverstand bestaan over het beoogde doel. Ook werd de Zamenhofstraat urenlang geblokkeerd en bracht de actiegroep, gekleed in ouderwets nachtgoed en gewapend met wekkers, een bezoekje aan het Stadsdeelkantoor.
Er werd ook een bouwteam samengesteld om een proefwoning te renoveren (3e Vogelstraat, nr. 14), met als doel een goedkoper, alternatief kostenplaatje naast dat van het WBA te kunnen leggen. Daarnaast besloten de drie tuindorpen hun krachten te bundelen om de onderhandelingen met het WBA en de verantwoordelijke stadsdeelbestuurders te gaan voeren. Op deze wijze stond men sterker en hoopte men niet tegen elkaar uitgespeeld te worden.

Ondertussen werd er een op zichzelf staande actie ondernomen om een sloot in het reeds gedempte gedeelte van het Johan van Hasseltkanaal te verkrijgen, waardoor er weer een open verbinding met het IJ zou ontstaan. Op deze wijze zouden de bewoners, net zoals vroeger, met een bootje het IJ op kunnen varen. Daarbij leverde zo'n sloot een duidelijke scheiding tussen woon- en werkgebied op, wat ook de veiligheid ten goede zou komen. Het nuttige met het aangename verenigd. De sloot is er gekomen, maar niet in verbinding met het IJ. Men heeft alles uit de kast getrokken om dit voor elkaar te krijgen. Het afwijzende besluit van Wethouder Peer is nog getracht ongedaan te maken door het geschil voor te leggen aan de Provinciale Staten van Noord-Holland. Toen ook deze instantie de actievoerders geen gelijk gaf is een gerechtelijke procedure gevolgd, maar ook dat heeft helaas niet mogen baten.

Vogeldorp, Disteldorp en Tuindorp-Oostzaan zijn behouden gebleven. Dankzij de vele acties en de daarmee wakkergeschudde politici en verantwoordelijken op sociaal en cultureel gebied. Het betreft hier tenslotte bijzonder uniek historisch erfgoed. Dit is nog eens extra onder de aandacht gebracht met het wetenschappelijk onderzoek* dat werd gehouden in de drie tuindorpen. Dit onderzoek was een idee van Marion Kranenburg en werd uitgevoerd door Maartje van der Eem en Clementine van Vooren, destijds studenten van de Vrije Universiteit.
Via de daaraan verbonden Wetenschapswinkel kon een actiegroep hulp krijgen door het laten uitvoeren van een grondig onderzoek op basis van de door de actiegroep geformuleerde doelstelling. Het resultaat van dit rapport getiteld "Grote stadsmens, maar niettemin dorpeling", leidde zelfs tot landelijke publicteit via een driedelige radio-documentaire, in december 1997 uitgezonden in het VPRO-radioprogramma "Het Spoor Terug", waarin de twee studentes hun onderzoek toelichten en bewoners van de drie tuindorpen hun kleurrijke verhalen vertellen. Dit rapport heeft misschien wel geleid tot het definitieve besluit tot het behoud van de dorpen.

In 1997 kregen Vogeldorp en Tuindorp Oostzaan de monumentenstatus. Voor Disteldorpers was er het bittere gevoel dat hun dorp afgebroken zou worden. Gelukkig is men op dat plan teruggekomen.
In 1999 nam Woonstichting De Key zowel Distel- als Vogeldorp over van het WBA. Vervolgens zijn de huizen gerenoveerd. Een groot aantal laagbouwtjes is toen samengevoegd en met name geluid- en warmte-isolatie was een punt van aandacht. In 2003 was de renovatie voltooid. Vogeldorp blijft een levend bewijs van de geïnspireerde woorden van Floris Wibaut: "Het staat er. Knap als ze het afbreken."



Geraadpleegde literatuur:
  • Wil Swart, Amsterdam-Noord 1850-1930 - De geschiedenis achter de feiten.
  • Maartje van der Eem en Clementine van Vooren, Grote Stadsmens en niettemin Dorpeling - Maatschappelijke en historische betekenissen van de tuindorpen Disteldorp, Vogeldorp en Tuindorp Oostzaan.


Fotoalbum 1

Vogeldorp in de fotocollectie van het Stadsarchief

(Klik op 'play' om te starten; rechthoekje linksonder maakt beeldvullend.)

http://fotoalbum.vogeldorp.nl/#0


Fotoalbum 2

Foto's uit het privé-archief van Fam. Voogt

(Klik op 'play' om te starten; rechthoekje linksonder maakt beeldvullend.)

http://fotoalbum.vogeldorp.nl/#3




(Zwart beeld? Ververs dan deze pagina in uw browser.)